Kom je er ook bij?

Nanette Egberts (Stichting Keurmerk Fysiotherapie) en Arjan Visscher (Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie) werken namens SKF, KNGF en de fysiotherapeuten mee aan het programma. In hun dagelijks werk zijn zij steeds al betrokken bij samenwerkingsverbanden. Arjan is regioadviseur en voor het KNGF al jaren actief op het gebied van regionalisering. Nanette spreekt vanuit haar ervaring als praktijkhouder, fysiotherapeut en werk voor samenwerkingsverband FleGel ( Flevoland-Gelderland).
Arjan en Nanette vertellen in dit interview over het programma, hun eigen bijdrage en natuurlijk de dialoogsessies.


Waarom werk je mee aan het programma?
Arjan: Ik ben al negen jaar bezig met gezondheid in de wijk en regionalisering, via het KNGF. Dus het leek de collega’s wel een mooie klus voor mij. En zelf vind ik het ook een logische stap.

Nanette: Sinds januari ben ik werkzaam bij SKF en is één van mijn belangrijkste taken organisatiegraad. Wat ik belangrijk vind is dat we vanuit de paramedie heel veel kunnen betekenen in de toenemende zorgvraag, op een goedkopere manier dan in de tweede lijn. En om dat voor elkaar te krijgen moet je met elkaar samenwerken en georganiseerd zijn.

Wat is jouw doel voor het programma?
Arjan: Gedacht vanuit de fysiotherapie: dat we zichtbaar zijn voor alle partijen in de zorg én patiënten. We zijn zichtbaar, én willen ook een plek hebben aan de tafels waar de gesprekken plaatsvinden over de toekomst van de zorg. Een plek waar de huisartsen zitten, en de paramedie. Een plek waar we de zorg beter kunnen bedienen. En daarbij gaat het ook om de burger, om de patiënt, dat die de juiste zorg krijgt.
Nanette: Ik hoop dat we als fysiotherapeuten andere paramedici in een versneld tempo kunnen betrekken. Zeker ook voor complexe zorgvragen, bijvoorbeeld oncologie, COPD en nu ook COVID, waarbij de patiënt meer zorg nodig heeft dan alleen fysiotherapie. Laten we met elkaar, multidisciplinair, iets opzetten rondom die patiënt, zodat die gewoon goed geholpen wordt. Om dat voor elkaar te krijgen, ook met de huisartsen erbij, organiseer je eerst de zorg in de eerstelijn.

En wat is je persoonlijk doel?
Nanette: Verbinden. Ik hoop dat we mensen kunnen laten gaan inzien dat samenwerken, ook in dus die grotere zorgvraag, van belang is. Groter dan je eigen belang. Dat je zo zorgt voor leuker werk, je doet het met elkaar. Het programma helpt bij die verbindende factor.
Huis-en-tuin klachten kun je prima je zelf oppakken, de grotere complexere vragen doe je samen. Ik denk dat we als paramedie een mooie rol kunnen hebben richting de huisartsen, om de druk daar te verlichten. Tegelijkertijd helpen zij ons ook, door de juiste vraag bij de parademie neer te leggen. Je leert elkaars taal te spreken en daar heeft de patiënt baat bij. Ook in de samenwerking met de gemeente, voor bijvoorbeeld de GLI.

Hoe helpt het programma om die doelen te bereiken?
Arjan: Er is een grote diversiteit tussen de verschillende groepen in de paramedie. En daarom is het ook moeilijk om met verschillende partijen tot resultaten te komen. We denken wel, we hebben alles voor elkaar. Maar ondertussen zie je toch, en dat is meteen een van de doelstellingen van het programma, dat het nodig is om de partijen beter bij elkaar te brengen. Het gaat niet om samenwerken op zich, het gaat om de organisatie van die samenwerking. Daar werkt het programma aan.
Nanette: Mensen hebben nu eenmaal de neiging om terug te vallen in de eigen cocon. Hebben het al druk in de eigen praktijk, vooral nu met veel ziekte en weinig personeel. Maar: samenwerken is een werkwoord, je moet eraan werken. Als mensen dat inzien, en ook het voordeel voor hun eigen praktijk gaan zien, dan word je er enthousiast over, weet je wat het ook nog eens oplevert.

De eerste dialoogsessies met de pilotregio’s zijn net achter de rug. Wat is jullie eerste indruk?
Nanette: Het was een combinatie tussen informatie-uitwisseling en kennismaken. En enthousiasme, dat was er ook. Natuurlijk waren er kritische noten: over bekostiging of regio’s die denken: we zijn toch al goed op weg? Maar: het was vooral positief. Arjan: In het begin is er toch een afwachtende houding, want er wordt al veel georganiseerd, waarom wordt dit dan nu ook opgetuigd?
Natuurlijk stond het kennismaken voorop, naast natuurlijk de informatie van BeBright (het adviesbureau dat de dialoogsessies organiseerde). Verder waren het vier totaal verschillende sessies: van opstarten en kijken wat het programma gaat brengen tot meer inzicht in het belang van samenwerking. Wat mij opviel is: de meeste mensen kenden elkaar nog niet en maakten wel meteen vervolgafspraken.
Een mooi voorbeeld daarvan is een bijeenkomst waar ik gisteren was, bij een samenwerkingsverband. Een praktijk had een probleem met personeel en een collega zei: ‘kijk, ik ken iemand. Een zzp’er, dit is het kaartje.’ Ze hebben die vrouw direct gebeld, ter plekke. Zo kan een netwerk functioneren en helpen. Meteen werd de telefoon gepakt!
Nanette: Zo’n voorbeeld heb ik ook in de praktijk. Onze handtherapeut is met zwangerschapsverlof en op korte termijn kan ik geen tijdelijke handtherapeut vinden. Het wordt nu overgenomen door een ergotherapeut. En de complexe zorg gaat naar een praktijk uit ons samenwerkingsverband, waar wel een handtherapeut aanwezig is. Dus zo kun je elkaar ook goed helpen. Arjan: Je hoeft niet altijd te kijken naar de hoog-over dingen, juist die praktische zaken kun je óók goed met elkaar oppakken.

En wat zijn de volgende stappen?
Arjan: Met de pilot en de dialoogsessies hebben we nog maar een klein deel van de samenwerkingsverbanden bereikt. De beweging is nog onbekend. We willen het veel breder delen en vragen ‘kom je er ook bij’?

Hoe nodig je samenwerkingsverbanden uit om er ook bij te komen?
Arjan: Met die praktische voorbeelden. Houd het eenvoudig, waar leidt het organiseren van samenwerken toe? Hoe is de samenwerking georganiseerd? Werk bovendien aan een gezamenlijk aanspreekpunt, met een mandaat van de achterban. Dan bereik je de achterban beter.
Nanette: In de regio waar mijn praktijk gevestigd is komt in ieder netwerk een kaderarts vanuit de huisartsen-organisatie: voor ouderenzorg-leefstijl en oncologie, bijvoorbeeld. Die denken mee. De besturen van de huisartsen-zorggroep en paramedische zorggroepen bespreken dat dan weer met elkaar. Zo’n huisartsen-zorggroep wil niet met een hele groep therapeuten aan tafel zitten. Die wil een aanspreekpunt hebben. Therapeuten hebben er inhoudelijk ook wat aan dat er een arts bijkomt, om eens mee te praten. Iemand die vraagt: wat is voor jullie een fijne manier om mee te werken? Je moet het elkaar ook makkelijker maken. Arjan: en gunnen.

En het programma geeft die kans?
Nanette: Ja. Arjan: Het helpt om gesprekken te openen. Als er een opening is, dan kan er meer in een samenwerking. Je hoeft geen vrienden te zijn, je probeert een goede samenwerking op te zetten. Nanette: Ook als er verschillende belangen zijn.
De toolbox van de website Organisatiegraad bevat tools om je samenwerkingsverband te helpen en goed in te richten, bijvoorbeeld op het gebied van communicatie . Wat zet je op je website, hoe richt je de communicatie in? Een voorbeeld is samenwerkingsverband FleGel. Daar hebben ze regio- routekaarten ontwikkeld waarin staat welke paramedici gespecialiseerd zijn in welke klacht. Die kaarten liggen bij de huisartsen en in het ziekenhuis en zijn online beschikbaar via apps. Bijvoorbeeld voor COVID-revalidatie.
Arjan: In Arnhem heb je, als het over de knie gaat, ook werkgroepen. Maar recentelijk hoor ik van een chirurg dat er geen nieuw bloed bij komt. Organisatiegraad helpt om de vaste lijnen weer open te gooien, om opnieuw te kijken wat effectief is en wat beter kan. Hoe dus de communicatie van beide kanten opgepakt kan worden.
Communicatie, dat komt steeds weer terug en is steeds meer aan de orde, maar in de regio is het niet steeds zichtbaar hoe de lijnen lopen. De regie ontbreekt vaak nog. Daarvoor is de B-lijn van het programma een mooi vervolg.

Ik ben een samenwerkingsverband en doe nog niet mee, maar dat wil ik wel. Wat doe ik nu?
Arjan: Neem vooral contact op met Nanette of met mij!
Nanette: Wat ik ten slotte nog belangrijk vind om te zeggen: Elk samenwerkingsverband kan wel hulp gebruiken. Beginnend én vergevorderd. Of het nu om een vervolgstap gaat of het tekenen van statuten. Ook bestaande, volwassen, samenwerkingsverbanden hebben nog wel eens een vraag: hoe ga ik verder? Voor elk niveau is het programma interessant. Je kunt op elk niveau geholpen worden. Dat vind ik belangrijk. Ook samenwerkingsverbanden die langer bestaan kunnen zich opgeven als één van de 25 regio’s voor de uitrol. Net zoals beginnende netwerken.’

Doe je ook mee? Meld je aan voor het Communityplatform ‘Samen sterk in de regio’ en mail naar info@organisatiegraad.nl.

Interview 17 november 2021
Babette Langbroek

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.